Hepatitis C: Doorverwijsgedrag van nieuw gediagnosticeerd hepatitis C patiënten in de eerstelijnszorg

 

Ook uit dit onderzoek blijkt dat maar de helft van de gediagnosticeerde patiënten wordt doorverwezen. Daarvan wordt de helft behandeld.

Hepatitis C een sluipmoordenaar..

.. kopte de Provinciale Zeeuwse Courant op 7 januari 2008. In het artikel beschrijft men dat zonder het te beseffen duizenden mensen rondlopen met een virusziekte die ernstige of zelfs dodelijke leverschade kan veroorzaken. Van de mensen met hepatitis C geneest 20% spontaan, maar ontwikkelt 80% een chronische leverontsteking en in deze groep krijgt een op de vier patiënten dan levercirrose. Niet alleen leverfalen, maar ook leverkanker is een extra risico bij mensen met een zich voortslepende leverontsteking. 1 op de 20 mensen wordt hierdoor getroffen. Toch is hepatitis C goed te ontdekken en ook te behandelen.

Uit Brits onderzoek blijkt echter dat slechts 49% van de met het hepatitis C virus (HCV) geïnfecteerde patiënten die in 2000-2002 zijn gediagnosticeerd, is doorverwezen naar de specialist [1]. Huisartsen verwezen meer gediagnosticeerde patiënten door dan andere aanvragers uit de eerstelijnszorg, maar ook van hun patiënten werd 34% niet doorverwezen. In Nederland is op basis van gegevens van het Streeklaboratorium voor de Volksgezondheid Arnhem/Rijnstate ziekenhuis onderzoek gedaan naar het doorverwijstraject van nieuw gediagnosticeerde hepatitis C patiënten in de eerstelijnszorg [2]. Slechts 39% van de 59 in 1998-2000 positief geteste patiënten werd doorverwezen naar een specialist. Een minderheid van de aanvragen vanuit de eerste lijn was afkomstig van een huisarts (32%). Uiteindelijk werd 6% van de patiënten behandeld. Deze waren allen door de huisarts doorgestuurd. Van de niet behandelende patiënten vond in 46% van de gevallen de huisarts behandeling niet nodig.

Er is een huisartsen standaard ingevoerd in 2000 en wij wilden weten hoe het doorverwijsgedrag is (veranderd) na de invoering. Dit was aanleiding om in het verzorgingsgebied van SHL bij een groep patiënten die in de eerstelijnszorg (huisarts/instellingsarts) zijn gediagnosticeerd, te onderzoeken hoe frequent een positieve diagnose resulteert in doorverwijzing en eventueel behandeling, en wat de reden is dat patiënten niet zijn doorverwezen.

Het doorverwijstraject is onderzocht voor de periode na 2001. In dat jaar is namelijk de combinatiebehandeling van hepatitis C met peginterferon alfa en ribavirine geïntroduceerd. Het onderzoek werd uitgevoerd door Peter van Wijngaarden, internist-infectioloog, Daniëlle de Jong, arts-onderzoeker (Amphia ziekenhuis, Breda) in samenwerking met medewerkers van stichting Wetenschappelijk Onderzoek & Contract Research (WECOR) onderdeel van de SHL-Groep. Het onderzoek werd financieel ondersteund door Roche Nederland B.V.

Eind november 2006 heeft WECOR een brief gestuurd naar (huis)artsen en instellingen of ze wilden meewerken. Degenen die dit wilden ontvingen vervolgens een lijst met patiënten met een positieve anti-HCV test. De arts of assistent heeft voor deze patiënt(en) een anonieme vragenlijst ingevuld over de doorverwijzing en indien er geen doorverwijzing is geweest, de reden daarvan.

U vind bij publicaties de beschrijving van het onderzoek dat heeft plaatsgevonden in 2006-2007. Ook hieruit blijkt dat maar de helft van de gediagnosticeerde patiënten wordt doorverwezen. Daarvan wordt de helft behandeld [3].

 

Als WECOR hebben wij het erg gewaardeerd om samen met een ziekenhuis een dergelijk onderzoek te doen. Hierbij willen wij samen met het Amphia ziekenhuis onze dank uitspreken aan alle meewerkende huisartsen en hun assistenten.

1] Irving, W.L. et al. Clinical pathways for patients with newly diagnosed hepatitis C What actually happens. Journal of Viral Hepatitis, 2006, 13, 264-271.

2] Hepatitis C: is er therapie na de diagnostiek? Nationaal hepatitis Centrum, kenniscentrum voor hepatitis. Werkgroep B C Rondvraag.

3] de Jong DJ, de Vries MJ, Boonman-de Winter LJ, van Wijngaarden P. Referral of hepatitis C virus seropositive patients in primary care in the Netherlands.Neth J Med. 2007 Jan;65(1):42-43.